Officiële start Beethovenjaar 2020

 
Ludwig van Beethoven (Bonn, 16 december 1770 – Wenen, 26 maart 1827)

In 2020 zal het 250 jaar geleden zijn dat Beethoven werd geboren, en we zullen het geweten hebben. Geen enkele persoonlijkheid uit de Westerse cultuurgeschiedenis zal zo op een sokkel worden geplaatst als Beethoven. Zelfs de viering in 2019 van Leonardo de Vinci – zonder twijfel een nog meer universeel kunstenaar dan Beethoven – verbleekt daarbij volledig. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat Beethoven fantastische muziek heeft geschreven die voor miljoenen mensen op de een of andere manier iets betekent. Maar dat kan even goed van andere componisten zoals Bach of Mozart worden gezegd. Ook zij hebben de allermooiste muziek geschreven, ook zij hebben de mogelijkheden van de muziektaal van hun tijd maximaal benut, en ook zij hebben daarbij vaak grenzen verlegd. En toch is er een verschil: de snelheid waarmee de muziek van Beethoven zich tussen 1800 en 1825 ontwikkelde is ongezien en nadien niet meer geëvenaard. Nog belangrijker is het feit dat sinds Beethoven het begrip ‘vernieuwing’ uitgroeide tot een belangrijke parameter bij de beoordeling van muziek.

Beethoven beweerde weliswaar altijd dat vernieuwing geen doel op zich was en dat hij steeds van anderen moest horen dat hij een ‘nieuwe weg’ bewandelde. Maar toch staat het vast dat Beethovens genie zich uitte in de nieuwe spelregels die hij ontwikkelde om zijn eigenzinnig muzikaal verhaal te kunnen schrijven.

Het spreekt voor zich dat Beethovens levensomstandigheden dit proces in belangrijke mate hebben gevoed en versneld. We zullen nooit weten hoe zijn parcours en zijn muziek zich zouden hebben ontwikkeld, mocht Beethoven niet geconfronteerd zijn geweest met het fatale gehoorprobleem dat hem verplichtte zich te transformeren van een concertpianist die af en toe wat componeerde, naar een componist die na verloop van tijd hoegenaamd geen piano meer speelde. Maar ook het tijdsgewricht waarin Beethoven leefde, speelde een niet te onderschatten rol. We zullen dus evenmin weten wat er van Beethoven zou zijn geworden, mocht zijn gedwongen carrièreswitch zich pakweg tien jaar vroeger of later hebben voorgedaan. De uitzonderlijke positie van Beethoven in de geschiedenis van de mensheid heeft immers in belangrijke mate te maken met het wisselspel dat zich ontwikkelde tussen Beethovens leven en zijn tijd. Een tijd die men zonder meer als een transitietijd kan bestempelen. Als een dramatische overgang van een eeuwenoud maatschappelijk systeem, het zogenaamde ‘ancien régime’, naar een moderne samenleving. Een samenleving met schijnbaar grenzeloze nieuwe mogelijkheden, én met een andere visie over de mens en zijn plaats in de wereld. Een tijd ook die heeft geleid tot nieuwe angsten en onzekerheden.

Beethoven heeft de muziek en het muziekleven van de negentiende eeuw fundamenteel beïnvloed. Na zijn dood was immers niets meer zoals vroeger: de componist was niet langer de uitvoerder van zijn eigen muziek; de partituur werd een dwingend keurslijf; het zwaartepunt van de fantasie werd verlegd van de improvisatie naar de interpretatie.

De muziek werd ook complexer en inhoudelijk zwaar beladen wat dan weer een andere luisterattitude eiste van het publiek. Tenslotte kreeg de componist een heel nieuwe maatschappelijke status en moest hij op zoek gaan naar andere manieren om zijn brood te verdienen. Kortom: de componist was van ambachtsman naar kunstenaar geëvolueerd en hij was zich daar ten zeerste van bewust. Het is fascinerend vast te stellen dat deze metamorfose zich heeft afgespeeld binnen de carrière van één man die genadeloos heeft gebonkt tegen de grenzen van zijn tijd, van zijn omgeving, en vooral: van zichzelf. Natuurlijk hingen deze verschuivingen in de lucht. Maar is het niet het kenmerk van genieën dat ze erin slagen om latente en ongedefinieerde tendensen beknopt en helder tot uitdrukking te brengen?

Beethoven heeft dus bakens verzet. In die zin was hij het prototype van de nieuwe, moderne mens die, gedreven door een gezond zelfbewustzijn, doordrongen was van het idee dat het mogelijk was om een zinvol leven te leiden zonder God of gebod. Hij was er in het diepste van zijn ziel van overtuigd dat hij de hoogste plaatsen in de samenleving kon innemen door het maximale uit zijn talent te putten. En hij was er evenzeer van overtuigd dat hij op die manier kon bijdragen tot een betere en meer rechtvaardige wereld.

Maar er is meer: Beethovens boodschap aan de mensheid was niet alleen ideologisch geïnspireerd, zij was ook spiritueel. Vooral in de laatste fase in zijn leven, op een moment waarop hij zo goed als volledig afgesneden was van de buitenwereld, tilde Beethoven zijn missie op een nog hoger niveau. Volgens hem was het creëren van ‘Schoonheid’ een belangrijke hefboom om het ‘Hogere’ te bereiken, om de brute materialiteit van het profane leven te overstijgen, om zin te geven aan het bestaan over de dood heen. En omdat het toenmalige Weense publiek nauwelijks enige voeling had met zijn laatste klaviersonaten en strijkkwartetten, was Beethoven erg gemotiveerd om die boodschap te richten tot een quasi virtueel publiek, zijnde de vele mensen die zich eeuwen later nog zouden laten ontroeren, begeesteren en inspireren door zijn muziek.

Beethoven heeft de lat voor zichzelf zeer hoog gelegd. Vooral op het einde van zijn leven én in zijn laatste composities. Zijn late strijkkwartetten en klaviersonaten baden in een sfeer van onthechting en verinnerlijking. In de Missa solemnis en de Negende symfonie overheerst dan weer het grote gebaar.

De Missa solemnis, Beethovens Magnum Opus, kan men eigenlijk opvatten als zijn muzikaal testament. Het is een werk dat door zijn buitengewone dimensies hoegenaamd niet meer geschikt is om uitgevoerd te worden binnen een liturgische context. Het hoort thuis in de concertzaal, die voor de gelegenheid gesacraliseerd wordt en het richt zich tot alle mensen, gelovigen en niet-gelovigen, die vervuld zijn van die ene idee: Dona nobis pacem – Geef ons de vrede. Een vrede waarover Beethoven duidelijk zegt – hij schrijft dat letterlijk in de partituur – dat ze zowel uiterlijk als innerlijk moet zijn.

Ook in de Negende symfonie, die quasi terzelfdertijd is ontstaan, richt Beethoven zich tot de wereld met de oproep dat Alle Menschen Brüder werden. Het is die gedachte die ertoe heeft geleid dat in januari 1972 de ministers van de toenmalige Raad van Europa besloten om Beethovens ode tot Europese hymne te declareren.

Let wel: niet de originele Beethovenmuziek, maar een door Herbert van Karajan gefabriceerde condensatie, waardoor de kassa van de familie Karajan in Salzburg nog steeds dagelijks rinkelt. Het was de bedoeling dat het volkslied de idealen van vrijheid, vrede en solidariteit waarvoor Europa staat, vertolkt en dat het uitdrukking geeft aan de waarden die de inwoners van de Unie delen, én aan hun eenheid in verscheidenheid. Dat is ongetwijfeld in Beethovens zin, al draait hij zich zeker om in zijn graf als hij zou zien hoe sindsdien het ‘Ode an die Freude’-thema vercommercialiseerd, getrivialiseerd, verkitscht en verschlagerd wordt. Zelfs een banale Europese voetbaluitzending op TV begint met een trailer die smakeloos het ode-thema parafraseert om aan te geven met  welke nobele intenties de tweeëntwintig acteurs en hun entourage de arena betreden! Het valt dus niet uit te sluiten dat Beethovens wereldwijde reputatie vandaag ook op deze smakeloze recuperatie is gebaseerd. Inderdaad: roem berust soms op een misverstand.

En toch, dames en heren. Het moge dan al zijn dat Beethoven meer is dan zijn muziek, dat hij als het ware staat voor een ‘idee’, áls wij samenkomen om, vervuld van dankbaarheid en bewondering, hulde te brengen aan de grote meester, is dat in eerste instantie omwille van de vele uren prachtige muziek die hij de mensheid heeft geschonken. Letterlijk: meer dan honderd uren.

Als je, met andere woorden, heel zijn oeuvre wil beluisteren, heb je daar bijna drie werkweken voor nodig. Opmerkelijk is het feit dat dit oeuvre alle domeinen van de muziek bestrijkt: de opera, de mis, het oratorium en de cantate, muziek bij theaterstukken en balletmuziek, de symfonie, het concerto, dansen en militaire marsen, strijkkwartetten, klavier-, viool- en cellosonates, variatiereeksen en bagatelles, alle denkbare en ondenkbare combinaties van kamermuziek, en tenslotte een hele reeks grote en kleine vocale werken: liederen, koorwerken, volksliedbewerkingen en canons. Al deze muziek draagt bovendien een duidelijke handtekening én een kwaliteitslabel. Beethoven overschrijdt immers nooit een bepaalde kwalitatieve ondergrens. Dat kan zelfs gezegd worden van de stukken die de stempel dragen ‘gelegenheidsmuziek’ te zijn, zoals bijvoorbeeld de Wellingtonmuziek. Wij hebben soms de neiging om daar de neus voor op te halen, maar Beethoven was er best wel fier over dat hij erin slaagde om te schitteren in de kleine ruimte van de zelf opgelegde beperking.

Wat evenwel het meest tot de verbeelding spreekt, is de eindeloze stroom van muzikale ideeën die uit Beethovens brein is ontsproten. Doorsnee componisten zouden er veel geld voor geven om één thema te vinden, zoals hij er letterlijk een paar duizend op papier heeft gezet.

Het is mij recent nogmaals opgevallen hoe onuitputtelijk Beethovens fantasie was. Isabelle Faust en Alexander Melnikov speelden namelijk begin december in deSingel in Antwerpen de vioolsonates opus 30. Drie sonates; in totaal elf bewegingen; en steeds dezelfde bezetting: één viool samen met één piano. Maar wat een klankenrijkdom! De eerste maten van elk stuk zijn steeds een wonder. Het publiek is telkens geëlektriseerd door een universum dat zich opent; een universum waarin het hele palet van menselijke emoties vervat is en dat zowel de geest als het hart prikkelt.

Maar het gaat verder. Beethoven kluistert ons aan zijn lippen door de magistrale wijze waarop hij uit die eerste, momentane sensaties grote en veelgelaagde constructies ontwikkelt. Hij neemt de toehoorders mee op een muzikale reis naar verafgelegen en vaak onontgonnen gebieden. Maar hoe ingewikkeld het routeplan ook is, hoe complex het verloop van de muziek en hoe verregaand de modulaties en dissociaties ook zijn, de luisteraar weet zich veilig: Beethovens muziek landt immers altijd. Nooit te vroeg en nooit te laat. Anders gezegd: Beethovens verbeeldingskracht heeft niet alleen te maken met de rijkdom aan spontane ideeën, maar evenzeer met de verwerking van die ideeën.

Of nog anders gezegd: emotie en ratio zijn bij Beethoven als yin en yang aan elkaar gekoppeld en pas ten volle begrijpelijk door elkaars complementaire aanwezigheid. Hoe sterker de emotie, hoe solider de ratio.

Dames en heren, het is zeer de vraag of de mensen die op 2 april 1800 Beethovens eerste grote Akademie hebben bijgewoond, zich van dit alles bewust waren. En toch voelde iedereen aan dat er die avond een nieuw tijdperk was aangebroken. Dat had in hoge mate te maken met de Eerste symfonie die aan het einde van het concert werd gespeeld en die enorm contrasteerde met de Mozartsymfonie die bij aanvang stond geprogrammeerd. Beethoven had zijn eerste symfonie laten beginnen met dissonante en desoriënterende blazersakkoorden, ondersteund door bizar klinkende pizzicato’s van de strijkers. De toehoorders wisten ook weinig raad met de prominente aanwezigheid van de blazers in het hele werk. Maar er was meer waaraan zij moesten wennen. Beethoven zette een nieuwe standaard op het gebied van tempo en snelheid. Het gaat er in zijn Eerste symfonie onvergelijkbaar sneller aan toe dan in gelijkaardige werken van Mozart. 

De gedachten wisselen snel, de crescendo’s zijn kort en impulsief en het geheel krijgt een ongewone nervositeit door de veelvuldige accenten en sforzati. Op die manier luidde Beethoven een nieuw tijdperk in, alsof hij bij het begin van de nieuwe eeuw en aan de vooravond van de industriële revolutie wilde uitdrukken dat de moderne mens veroordeeld was om sneller te leven en te denken.

Beethovens eerste Akademie was dus een mijlpaal, zowel voor zichzelf als voor de geschiedenis van de muziek. En het is van grote betekenis dat hij besloot om die avond ook nog werk van Mozart en Haydn te laten klinken. Beethoven had daar zonder twijfel marketingargumenten voor. Maar het was ook een statement, een statement dat van veel lef en zelfvertrouwen getuigde. Die avond nam de dertigjarige Beethoven immers definitief én officieel de fakkel over van zijn illustere voorgangers.

Dit is dan ook de reden waarom wij hebben beslist om het Beethovenjaar te starten met een evocatie van die eerste Akademie in deSingel in Antwerpen. Op zondag 8 december 2019 brachten we een hommage aan de Grote Beethoven die wij eindeloos bewonderen en die ons verenigt. Niet de Beethoven van de standbeelden en de bustes op de piano; en evenmin de ‘mythische Beethoven’, de getormenteerde en soms hoekige man die karig bedeeld was op het vlak van de vreugdebeleving. Maar wel die andere Beethoven. De Beethoven van de mooie muziek die ons ontroert en inspireert; de Beethoven die ons troost en die ons de weg wijst naar een betere en vreedzame wereld; de Beethoven die ons doet dromen en geloven in een ideaal.

Muzikale groeten,

Jan Caeyers